Tips voor de Conversatieclub

Tip 1

Toon interesse en bouw aan vertrouwen

Door werkelijk interesse in elkaar te tonen, bouw je een ontspannen en vertrouwde sfeer op.

Tip 2

Maak gebruik van elkaars talenten en interesses

Iedereen heeft talenten en interesses. Probeer die te ontdekken en maak er gebruik van. Mensen worden enthousiast als zij kunnen praten over iets wat zij interessant vinden of waar ze veel van weten. Iemand die mooi kan schilderen, kan een keer een schilderles geven. Iemand die kaarten of bloemstukjes maakt, doet dat een keer met de groep. Die interesses en talenten kan je ontdekken met foto’s of plaatjes. Laat de groep de foto’s zien, vraag een foto uit te kiezen en laat daarover iets vertellen. Iedereen kan ook zelf foto’s maken, plaatjes uit tijdschriften halen of iets van thuis meenemen om over te praten.

Tip 3

Prikkel mensen om zoveel mogelijk te praten

Het doel van conversatiebijeenkomsten is om de mensen te laten oefenen met praten. Hoe meer je praat, hoe beter het gaat! Mensen die de taal leren, maken fouten met het Nederlands. Dat hoort erbij. Pas op met corrigeren, beter is om voor te doen hoe het wel moet. Kinderen en volwassenen leren het meest van een goed voorbeeld. Spreek dus zelf goed Nederlands. Als je een kromme zin of een slechte uitspraak hoort, verbeter dan de fout door de goede zin voor te doen. Corrigeer niet te veel. Je wilt de mensen vooral zelfvertrouwen geven en zorgen dat ze meer gaan vertellen. Dat doen ze niet als ze het gevoel krijgen alles fout te zeggen.

Tip 4

Alles kan gebruikt worden om de taal te leren

Voor goede conversatiebijeenkomsten heb je geen lesboeken nodig. Je kan alles gebruiken om de taal te leren. Ook een fotoalbum, de boodschappentas, de krant of een ritje met de tram kan dienst doen als lesmateriaal.

Tip 5

Luisteren, samenvatten en doorvragen

Een goed gesprek voeren, is nog best lastig. Hoe zorg je dat er niet te veel stiltes vallen? Hoe prikkel je mensen om door te gaan met vertellen, ook al vinden ze het moeilijk? Met luisteren, samenvatten en doorvragen. Luisteren doe je niet alleen met je oren, maar met je hele lichaam: door je houding, naar de ander te kijken, te knikken en te hummen (‘hmm’ zeggen). Je kunt je gesprekspartner ook laten merken dat je goed luistert door samen te vatten of te herhalen wat hij of zij gezegd heeft. Zo kom je er ook achter of je alles goed hebt begrepen. Het kan zijn dat je deelnemer niet zo veel uit zichzelf vertelt. Dan is het goed om door te vragen.

Tip 6

Belangrijke woorden onthouden door ze op te schrijven

Tijdens de bijeenkomsten leren de deelnemers veel nieuwe woorden. Om ze goed te onthouden, is het handig om woorden op een bord of vel te schrijven, en om aan het einde van de bijeenkomst de belangrijkste woorden met elkaar te herhalen. Als iedereen een eigen schriftje heeft, kan je de volgende keer terugkomen op de woorden. Zo bouwen je deelnemers aan hun woordenschat.  Ook kan je op voorwerpen een sticker of zelfklevend papiertje plakken met het woord.

Tip 7

Zorg voor een goede inleiding en afsluiting

Met de inleiding kan je gebruik maken van wat mensen al weten en belangrijke woorden alvast noemen. aar de bijeenkomst vandaag over gaat, of wat jullie gaan doen. Dat kan je bijvoorbeeld doen met een woordspin (zie taalspelletjes). Met de afsluiting zet je samen op een rij wat er besproken en geleerd is. . Een goede afsluiting is de deelnemers laten vertellen wat ze hebben geleerd in de bijeenkomst. Dat kun je doen door ze een zin te laten afmaken: ‘Ik heb vandaag geleerd hoe ik.…’ ‘Het interessante van deze bijeenkomst vond ik.…’ ‘Een woord dat ik zeker zal onthouden, is.…’ Is dat te moeilijk, sluit dan af door iedereen te vragen naar één ding dat ze leuk of interessant vonden.

Tip 8

Vooruitkijken en terugblikken

Vooruitkijken naar de komende bijeenkomst en terugblikken op de vorige bijeenkomst zorgt ervoor dat alles wat geleerd is nog beter onthouden wordt. Als je met elkaar op een uitstapje gaat, een gezamenlijke (knutsel)activiteit gaat doen, of over een thema gaat praten tijdens de volgende bijeenkomst: bereid het samen voor. Bespreek wat je de volgende keer gaat doen.

Tip 9

Wissel de conversatievormen af

Je kunt een activiteit op verschillende manieren opzetten. Vormen zijn: conversatie rond gezamenlijke activiteiten, rond thema’s of rond uitstapjes. Het leukst is het om de verschillende manieren van conversatie af te wisselen. Gezamenlijke activiteit: het vertrekpunt is het plezier van samen iets doen zoals tuinieren, kaarten maken of bloemschikken. Je praat met elkaar terwijl je samen bezig bent en je leert zonder dat je het door hebt. Gezamenlijke thema’s: Je voert gesprekken met elkaar over allerlei onderwerpen die iedereen bezighouden zoals opvoeden, school en gezondheid. Je leert daardoor van elkaar, ook hoe je deze onderwerpen aan kunt pakken. Uitstapjes: Je gaat samen op pad om iets nieuws te bezoeken en te ontdekken. Je praat vooraf, tijdens en na afloop van het uitstapje met elkaar.

Tip 10

Kom naar de bijeenkomsten van Opzoomer Mee

Opzoomer Mee organiseert voor alle conversatiegroepen verschillende uitwisselingsbijeenkomsten en uitstapjes. Maak gebruik van de uitnodigingen, want daarmee kom je verder als initiatiefnemer en als deelnemer!

Taalspelletjes

Woordspin

Een woordspin is een leuke manier om in je groep te praten over wat je samen al weet over een onderwerp. Je zet op een bord of groot vel papier het thema waar je over gaat praten in de middelste cirkel. Daarna ga je samen op zoek naar woorden die met het thema te maken hebben. De deelnemers leren er veel nieuwe woorden van. De woordspin maakt ook dat je meteen samen aan de slag gaat. Iedereen kan er aan meedoen

Aangenaam, wie ben jij?

Laat iedereen door de zaal lopen en zich aan elkaar voorstellen. Doe altijd zelf eerst voor: Loop naar iemand toe, steek je hand uit en zeg: “Hallo, ik ben … en ik ben … jaar. Wie ben jij?” Als je deelnemers al een basis in het Nederlands hebben, kun je ze nog wat meer aan elkaar laten vertellen, bijvoorbeeld over hun familie.

Klein, kleiner, kleinst, groot, groter, grootst

Je oefent deze begrippen met de deelnemers zelf. Ze moeten bij deze oefeningen van hun stoel af en naast elkaar gaan staan in een volgorde. Van jong naar oud, van klein naar groot. Om dat goed te doen, moeten ze overleggen. Over hun lengte, over hoe oud ze zijn, enzovoort. Doe het eerst een keer voor. Je oefent zo op een speelse manier de betekenis van allerlei begrippen. De deelnemers moeten met elkaar praten en ze leren
elkaar goed kennen.

Ik ga op reis en ik neem mee…

Dit is een spelletje waar je steeds meer dingen moet onthouden. Je begint en zegt jouw naam: “Ik ben Corrie.” Je buurman/buurvrouw herhaalt eerst jouw naam en zegt dan wie hij of zij is: “Corrie. Ik heet Meryem.” De buurman/vrouw van Meryem herhaalt jouw naam en die van Meryem: “Corrie, Meryem. Ik heet Bilal.” Zo komt iedereen aan de beurt. Je zorgt dat je zelf als laatste nog een keer alle namen herhaalt.

Een woord met de letter…

Ga met elkaar in een kring staan. Noem een letter van het alfabet. Je kan de letter ook prikken uit de krant of een boek. Om de beurt noemt iedereen een woord dat begint met de gekozen letter. Je kan een voor een de kring afgaan, maar ook een bal gebruiken dat steeds naar iemand anders gegooid wordt. Krijg je de bal, dan noem je een woord.  Je maakt het spel extra moeilijk door te vragen naar woorden uit een categorie. Bijvoorbeeld dieren, eten, lichaamsdelen, namen of vervoermiddelen.

Zing met me mee

Zingen is gezellig, maar helpt ook bij het leren van het Nederlands. Je zou kunnen oefenen met deze Nederlandse liedjes. Bij deze liedjes vind je ook invuloefeningen. Maar je kan natuurlijk aan je groep vragen of ze een liedje kennen dat ze willen zingen. Luister vooraf wel even zelf naar het liedje: zitten er te niet te veel moeilijke woorden in?

Woorden uitbeelden

Oefen met (werk)woorden door ze uit te beelden. Vraag eerst welke woorden deelnemers kennen die bijvoorbeeld met het huishouden te maken hebben. Weet iemand het woord niet dat bij stofzuigen of ramen lappen hoort? Laat ze uitbeelden! Je kunt er een spelletje van maken door de woorden een voor een uit te beelden met elkaar. Voorbeelden: dansen, opruimen, strijken, auto rijden, fietsen, was ophangen, rennen.

Gevonden voorwerpen

Maak twee teams. Schrijf op een groot vel 15 voorwerpen op die in je ruimte te vinden zijn. Controleer of iedereen weet wat de woorden betekenen. Dan moet elk groepje zo veel mogelijk van deze voorwerpen in een mand doen. Houd de tijd bij: na twee minuten stop je met zoeken. Het groepje met de meeste voorwerpen heeft gewonnen. Voorbeelden van woorden: tas, sok, schoen, sleutel, snoep, luier, boek, deodorant, lippenstift, wc rol, sjaal, bril, jas en telefoon.

Welk dier hoor je?

Om namen van dieren te oefenen, kun je dierengeluiden maken. Je doet een paard, hond, kat, koe of kip na en je deelnemers laat je raden welk dier ze horen. Je kan ook een filmpje laten zien (of alleen laten horen) met de dierengeluiden. En durven je deelnemers de geluiden zelf eens te maken?

Woorden bouwen

Pak een aantal vellen papier. Op elk vel komt een letter te staan. Met deze letters maken je deelnemers woorden. Wie maken de meeste woorden? Je kan de letters ook bij je deelnemers op rug en buik vast maken. Dat zorgt voor een hoop lol! Letters waar je dit spel goed mee kan doen zijn: S, T, O, K, A, M, L.

Het boodschappenspel

Laat tien voorwerpen zien uit de supermarkt. Benoem de namen van de voorwerpen met elkaar. Leg een grote doek over de voorwerpen heen. Vraag dan aan je groep de voorwerpen te noemen of op te schrijven. Wie heeft ze allemaal onthouden?